vergrootglas
arrow

Over KOPP/KOV

KOPP/KOV in een notendop

KOPP/KOV in een notendop

KOPP/KOV staat voor Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) en Kinderen van Ouders met Verslavingsproblemen (KOV). In Nederland zijn er ruim 577.000 kinderen die opgroeien met een ouder met een verslaving en/of psychische aandoening. Ook Nikki Palsrok behoort tot deze groep. In de film NIKKI volgt documentairemaakster Monique Nolte het meisje van haar twaalfde tot haar zeventiende. Haar moeder lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en haar vader is verslaafd en leidt een zwervend bestaan. Ook haar moeder Karin heeft een alcohol- en drugsverslavingsverleden en stond haar oudste kinderen in de jaren ‘90 ruim tien jaar af aan de jeugdhulpverlening. 

Waar Nolte in Het beste voor Kees de moeder-zoon relatie onderzocht, deed ze dat later in NIKKI tussen moeder en dochter. Zo ving ze de liefde tussen hen, “maar ook de schaduwkant ervan”, aldus Nolte. “Het is ontzettend ingewikkeld voor een kind als je ouders je beschadigen zonder dat ze daar iets aan kunnen doen. Haar moeder wil het beste voor Nikki, dat merk je aan alles. Hun liefde voor elkaar is onvoorwaardelijk. Dat maakt het moeilijk voor Nikki om over haar problemen te praten omdat ze haar niet wil afvallen.”

Nolte onderzoekt in haar film hoe het, vanuit het perspectief van een kind, is om op te groeien zonder een veilige, stabiele thuissituatie. Ook wordt de vraag gesteld wat we kunnen verwachten van de directe omgeving, waaronder school. Met NIKKI wil Nolte een gezicht geven aan de ruim 577.000 KOPP/KOV-kinderen in Nederland die opgroeien met een ouder met een verslaving of psychische aandoening. 

Wat is er eigenlijk bekend over KOPP/KOV-kinderen? Wat zijn de risicofactoren, de gevolgen en welke oplossingen zijn er om kinderen te ondersteunen? 

Tessa van Doesum is wetenschappelijk medewerker bij het Trimbos Instituut bij het programma mentale gezondheid en preventie en richtte zich vanaf 2018 op kinderen van ouders met psychische problemen of verslavingsproblemen. Ze bundelde de bestaande kennis over KOPP/KOV-kinderen in een overzichtsrapport, waarin de cijfers over KOPP/KOV worden onderbouwd.

In Nederland zijn bijna 600.000 KOPP/KOV-kinderen. Hoe komen jullie aan deze cijfers? 
“Deze cijfers zijn gebaseerd op verschillende steekproeven uit 2002 en 2007, waarbij we langs mensen thuis gingen en ons op de DSM – het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen – baseerden. We maakte een inventarisatie op van het aantal KOPP/KOV-kinderen, maar konden niet alle gevallen opnemen in ons onderzoek. Zo lukte het niet om mensen met bepaalde stoornissen statistisch gezien te extrapoleren naar heel Nederland omdat het er te weinig waren. Ook signaleerden we mensen die niet aan alle DSM-criteria voldeden. In werkelijkheid telt Nederland dus meer KOPP/KOV-kinderen.

Dit jaar hebben we een nieuwe steekproef gedaan en de analyses zullen begin volgend jaar plaatsvinden, maar het blijft lastig om harde conclusies te trekken over aantallen.”

Kinderen met ouders met psychische problemen of verslavingsproblematiek, hebben 65 procent kans om zelf ook psychische problemen en/of een verslaving te ontwikkelen. Hoe is dit te verklaren?
“Er zijn verschillende risicofactoren om als kind op latere leeftijd ook problemen te krijgen op psychisch vlak of een verslaving te ontwikkelen. Enerzijds speelt een genetische gevoeligheid een rol. Het is wetenschappelijk bewezen dat mensen die psychische klachten hebben, dat aan hun kinderen kunnen overdragen. Daarnaast hangt het samen met de ernst van de klachten van de ouders, de duur ervan en het moment waarop een kind hiermee wordt geconfronteerd. Als een kind op zeer jonge leeftijd in aanraking komt met ouders die mentale problemen hebben of verslaafd zijn, is de impact ervan groter dan dat je op je 25e in aanraking komt met een ouder met een verslaving of psychische aandoening. Dan zit je minder dicht op je ouders. Daarnaast hangt het van het temperament van het kind af en van het sociaal netwerk eromheen. Wat ook meespeelt is de mate van openheid van de ouder over zijn of haar problemen. Als een ouder zich ervan bewust is dat hij of zij ziek is en van de gevolgen ervan, is dat een eerste stap. Dat zien we ook terug bij Karin, de moeder van Nikki uit de film.”


Wat kan er gedaan worden om die 65 procent terug te dringen?
“Je zou kunnen inzetten op preventie door het verminderen van de risicofactoren. Uit eerder onderzoek weten we dat kinderen die op latere leeftijd terugblikken op hun jeugd, een steunfiguur wensten waar zij hun verhaal kwijt konden. Dat kan een neef, nicht, juf of buurman zijn – dat maakt in feite niet uit, als er maar vrij gesproken mag worden over wat er thuis speelt. Daarnaast is het belangrijk dat kinderen weten wat er speelt bij de ouders. Dan realiseren kinderen zich dat het aan de ziekte ligt dat een ouder boos is en niet aan hen.”

In Noorwegen is een wet ingevoerd waarin ieder kind recht heeft op informatie over ouders en Karin van Doesum van het Landelijk Platform KOPP/KOV wil dat deze wet ook in Nederland ingevoerd wordt. Wat vind je daarvan?
“Of het verstandig is om dat wettelijk te regelen, weet ik niet. Toch is het belangrijk dat informatie meer gedeeld gaat worden, óók met kinderen. Dit kun je op een begrijpbare en kindvriendelijke manier doen. Daarnaast pleit ik voor een samenwerking tussen de ggz, de huisarts, maatschappelijk werkers en jeugdhulpverleners. Dat er bijvoorbeeld een cliënt in? de volwassen ggz wordt gesignaleerd en dat de jeugdhulp dan naar de eventuele kinderen gaat kijken. Er zijn verschillende manieren om samen te werken en ook de gezondheidszorg, zoals de GGD, kan daar een rol in spelen.”

Wat zou onze overheid nog meer kunnen doen? Zo heeft staatssecretaris Maarten van Ooijen recentelijk aangekondigd deze problematiek te willen aanpakken.
“Het klopt dat Van Ooijen uitgenodigd was bij het programma De Publieke Tribune en daar aangaf KOPP/KOV-problematiek preventief aan te willen pakken. Wat zijn plannen concreet inhouden, weet ik niet. De overheid kan wel preventiever te werk gaan. Wat ik zelf een mooi voorbeeld vind is de zogeheten Kindreflex in België. Dit is een stappenplan in zes fases dat hulpverleners adviseert hoe zij ouders op een open en niet stigmatiserende manier kunnen aanspreken op het welzijn van hun kinderen. Ik vind dat in ieder gesprek een hulpverlener het ouderschap moet aankaarten. Hoe gaat een cliënt om met zijn of haar kind en hoe fungeert hij of zij als ouder? Dat is uiteindelijk preventiever. Als we zoiets in Nederland zouden hebben, zouden we deze kinderen in kaart kunnen brengen.

In Nederland is er overigens wel een ‘kindcheck’. Deze is in eerste instantie bedoeld voor hulpverleners die met volwassen cliënten werken, maar geldt ook voor hulpverleners die met kinderen werken zoals in de jeugdgezondheidszorg of op een kinderafdeling. Bij deze check gaat een hulpverlener bij volwassenen na of zij voor minderjarige kinderen kunnen zorgen en of zij veilig opgroeien. Toch wordt deze check – helaas – niet altijd gedaan. Terwijl het normaal zou moeten worden om bij ieder traject het ouderschap te bespreken.” 

Hoe kan de omgeving KOPP/KOV-kinderen signaleren?  
“We horen veel om ons heen dat de omgeving een onderbuikgevoel heeft dat er iets niet in orde is bij een bepaald gezin. Het is duidelijk dat er iets aan de hand is, maar het is lastig om er de vinger op te leggen. Een kind is niet altijd open over de problemen thuis, want dat kan loyaliteitsconflicten met de ouders geven. Toch zijn er een aantal signalen waar je hen aan kunt herkennen. Zo zie je dat kinderen geen vriendjes mee naar huis nemen, te laat op school aankomen of juist lang op school blijven om later naar huis te gaan. Toch merk je bij kinderen die extra verantwoordelijkheden op zich nemen, vrij weinig signalen. Dat zie je ook bij Nikki, die haar moeder ’s ochtends wekt en de hond uitlaat. In sommige gezinnen worden de problemen erg verbloemd naar de buitenwereld toe. Dan moet er verder worden doorgevraagd om tot meer openheid te komen.”

Tot welke leeftijd kun je last krijgen van klachten als je ouders verslaafd waren of mentale problemen in je jeugd hadden?
“Op dit moment registreren we KOPP/KOV-kinderen tot het 35e levensjaar. Een moeizame jeugd kan psychische klachten geven, zoals angsten of een depressie. Het komt ook voor dat mensen op latere leeftijd erachter komen dat ze tot deze groep behoren en op zestigjarige leeftijd in een depressie belanden. Uit een onderzoek blijkt dat tachtig procent van de ggz-cliënten zelf ook een KOPP-kind is. Helaas is dat niet iets waar doorgaans bij de ggz-instelling naar gevraagd wordt.”

Dat is een aanzienlijk deel. Het Trimbos Instituut pleit dus voor meer openheid binnen gezinnen en betere samenwerking tussen organisaties. Wat zijn nog meer aandachtspunten?
“Wat wij proberen te doen via Trimbos Instituut – en dat kan ik niet vaak genoeg benadrukken – is dat je niet stigmatiserend over mensen met een aandoening zou moeten praten. Iemand is geen ‘Borderliner’, maar heeft Borderline. Als je respectvol over mensen praat, zullen ze zich sneller openstellen. En realiseer je ook dat ouders het beste voorhebben met hun kinderen. Opvoeden is niet gemakkelijk – en al helemaal niet als je een ziekte hebt.”

Meer onderbouwing over de cijfers, de risicofactoren en de ‘signalen’ van KOPP/KOV-vinden, vind je in het volgende factsheet van Trimbos Instituut: https://www.trimbos.nl/wp-content/uploads/sites/31/2021/09/af1666-factsheet-kopp-kvo.pdf 

Meer informatie over KOPP/KOV:

  1. Praatgroepen voor jongeren en volwassenen bij Jellinek: https://www.jellinek.nl/preventie/jeugd/aanbod-utrecht/kopp-kov/ 

Films over KOPP/KOV:

1. Puinhoop van documentairemaker Allard Detiger (2022)
2. NIKKI van documentairemaakster Monique Nolte (2022)

 

Wat betekent KOPP/KOV?

KOPP/KOV in een notendop

KOPP/KOV staat voor Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) en Kinderen van Ouders met Verslavingsproblemen (KOV). In Nederland zijn er ruim 577.000 kinderen die opgroeien met een ouder met een verslaving en/of psychische aandoening. Ook Nikki Palsrok behoort tot deze groep. In de film NIKKI volgt documentairemaakster Monique Nolte het meisje van haar twaalfde tot haar zeventiende. Haar moeder lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en haar vader is verslaafd en leidt een zwervend bestaan. Ook haar moeder Karin heeft een alcohol- en drugsverslavingsverleden en stond haar oudste kinderen in de jaren ‘90 ruim tien jaar af aan de jeugdhulpverlening. 

 

Waar Nolte in Het beste voor Kees de moeder-zoon relatie onderzocht, deed ze dat later in NIKKI tussen moeder en dochter. Zo ving ze de liefde tussen hen, “maar ook de schaduwkant ervan”, aldus Nolte. “Het is ontzettend ingewikkeld voor een kind als je ouders je beschadigen zonder dat ze daar iets aan kunnen doen. Haar moeder wil het beste voor Nikki, dat merk je aan alles. Hun liefde voor elkaar is onvoorwaardelijk. Dat maakt het moeilijk voor Nikki om over haar problemen te praten omdat ze haar niet wil afvallen.”

 

Nolte onderzoekt in haar film hoe het, vanuit het perspectief van een kind, is om op te groeien zonder een veilige, stabiele thuissituatie. Ook wordt de vraag gesteld wat we kunnen verwachten van de directe omgeving, waaronder school. Met NIKKI wil Nolte een gezicht geven aan de ruim 577.000 KOPP/KOV-kinderen in Nederland die opgroeien met een ouder met een verslaving of psychische aandoening. 

 

Wat is er eigenlijk bekend over KOPP/KOV-kinderen? Wat zijn de risicofactoren, de gevolgen en welke oplossingen zijn er om kinderen te ondersteunen? 

Tessa van Doesum is wetenschappelijk medewerker bij het Trimbos Instituut bij het programma mentale gezondheid en preventie en richtte zich vanaf 2018 op kinderen van ouders met psychische problemen of verslavingsproblemen. Ze bundelde de bestaande kennis over KOPP/KOV-kinderen in een overzichtsrapport, waarin de cijfers over KOPP/KOV worden onderbouwd.

In Nederland zijn bijna 600.000 KOPP/KOV-kinderen. Hoe komen jullie aan deze cijfers? 
“Deze cijfers zijn gebaseerd op verschillende steekproeven uit 2002 en 2007, waarbij we langs mensen thuis gingen en ons op de DSM – het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen – baseerden. We maakte een inventarisatie op van het aantal KOPP/KOV-kinderen, maar konden niet alle gevallen opnemen in ons onderzoek. Zo lukte het niet om mensen met bepaalde stoornissen statistisch gezien te extrapoleren naar heel Nederland omdat het er te weinig waren. Ook signaleerden we mensen die niet aan alle DSM-criteria voldeden. In werkelijkheid telt Nederland dus meer KOPP/KOV-kinderen.

Dit jaar hebben we een nieuwe steekproef gedaan en de analyses zullen begin volgend jaar plaatsvinden, maar het blijft lastig om harde conclusies te trekken over aantallen.”

Kinderen met ouders met psychische problemen of verslavingsproblematiek, hebben 65 procent kans om zelf ook psychische problemen en/of een verslaving te ontwikkelen. Hoe is dit te verklaren?

“Er zijn verschillende risicofactoren om als kind op latere leeftijd ook problemen te krijgen op psychisch vlak of een verslaving te ontwikkelen. Enerzijds speelt een genetische gevoeligheid een rol. Het is wetenschappelijk bewezen dat mensen die psychische klachten hebben, dat aan hun kinderen kunnen overdragen. Daarnaast hangt het samen met de ernst van de klachten van de ouders, de duur ervan en het moment waarop een kind hiermee wordt geconfronteerd. Als een kind op zeer jonge leeftijd in aanraking komt met ouders die mentale problemen hebben of verslaafd zijn, is de impact ervan groter dan dat je op je 25e in aanraking komt met een ouder met een verslaving of psychische aandoening. Dan zit je minder dicht op je ouders. Daarnaast hangt het van het temperament van het kind af en van het sociaal netwerk eromheen. Wat ook meespeelt is de mate van openheid van de ouder over zijn of haar problemen. Als een ouder zich ervan bewust is dat hij of zij ziek is en van de gevolgen ervan, is dat een eerste stap. Dat zien we ook terug bij Karin, de moeder van Nikki uit de film.”


Wat kan er gedaan worden om die 65 procent terug te dringen?
“Je zou kunnen inzetten op preventie door het verminderen van de risicofactoren. Uit eerder onderzoek weten we dat kinderen die op latere leeftijd terugblikken op hun jeugd, een steunfiguur wensten waar zij hun verhaal kwijt konden. Dat kan een neef, nicht, juf of buurman zijn – dat maakt in feite niet uit, als er maar vrij gesproken mag worden over wat er thuis speelt. Daarnaast is het belangrijk dat kinderen weten wat er speelt bij de ouders. Dan realiseren kinderen zich dat het aan de ziekte ligt dat een ouder boos is en niet aan hen.”

In Noorwegen is een wet ingevoerd waarin ieder kind recht heeft op informatie over ouders en Karin van Doesum van het Landelijk Platform KOPP/KOV wil dat deze wet ook in Nederland ingevoerd wordt. Wat vind je daarvan?
“Of het verstandig is om dat wettelijk te regelen, weet ik niet. Toch is het belangrijk dat informatie meer gedeeld gaat worden, óók met kinderen. Dit kun je op een begrijpbare en kindvriendelijke manier doen. Daarnaast pleit ik voor een samenwerking tussen de ggz, de huisarts, maatschappelijk werkers en jeugdhulpverleners. Dat er bijvoorbeeld een cliënt in? de volwassen ggz wordt gesignaleerd en dat de jeugdhulp dan naar de eventuele kinderen gaat kijken. Er zijn verschillende manieren om samen te werken en ook de gezondheidszorg, zoals de GGD, kan daar een rol in spelen.”

Wat zou onze overheid nog meer kunnen doen? Zo heeft staatssecretaris Maarten van Ooijen recentelijk aangekondigd deze problematiek te willen aanpakken.
“Het klopt dat Van Ooijen uitgenodigd was bij het programma De Publieke Tribune (https://www.human.nl/speel~VPWON_1333849~kind-van-de-publieke-tribune~.html) en daar aangaf KOPP/KOV-problematiek preventief aan te willen pakken. Wat zijn plannen concreet inhouden, weet ik niet. De overheid kan wel preventiever te werk gaan. Wat ik zelf een mooi voorbeeld vind is de zogeheten Kindreflex (https://www.weliswaar.be/kinderen-jongeren/kindreflex-nieuw-instrument-voor-veiligheid-van-kinderen) in België. Dit is een stappenplan in zes fases dat hulpverleners adviseert hoe zij ouders op een open en niet stigmatiserende manier kunnen aanspreken op het welzijn van hun kinderen. Ik vind dat in ieder gesprek een hulpverlener het ouderschap moet aankaarten. Hoe gaat een cliënt om met zijn of haar kind en hoe fungeert hij of zij als ouder? Dat is uiteindelijk preventiever. Als we zoiets in Nederland zouden hebben, zouden we deze kinderen in kaart kunnen brengen.

In Nederland is er overigens wel een ‘kindcheck’ (https://www.augeo.nl/kindcheck) Deze is in eerste instantie bedoeld voor hulpverleners die met volwassen cliënten werken, maar geldt ook voor hulpverleners die met kinderen werken zoals in de jeugdgezondheidszorg of op een kinderafdeling. Bij deze check gaat een hulpverlener bij volwassenen na of zij voor minderjarige kinderen kunnen zorgen en of zij veilig opgroeien. Toch wordt deze check – helaas – niet altijd gedaan. Terwijl het normaal zou moeten worden om bij ieder traject het ouderschap te bespreken.” 

Hoe kan de omgeving KOPP/KOV-kinderen signaleren?  
“We horen veel om ons heen dat de omgeving een onderbuikgevoel heeft dat er iets niet in orde is bij een bepaald gezin. Het is duidelijk dat er iets aan de hand is, maar het is lastig om er de vinger op te leggen. Een kind is niet altijd open over de problemen thuis, want dat kan loyaliteitsconflicten met de ouders geven. Toch zijn er een aantal signalen waar je hen aan kunt herkennen. Zo zie je dat kinderen geen vriendjes mee naar huis nemen, te laat op school aankomen of juist lang op school blijven om later naar huis te gaan. Toch merk je bij kinderen die extra verantwoordelijkheden op zich nemen, vrij weinig signalen. Dat zie je ook bij Nikki, die haar moeder ’s ochtends wekt en de hond uitlaat. In sommige gezinnen worden de problemen erg verbloemd naar de buitenwereld toe. Dan moet er verder worden doorgevraagd om tot meer openheid te komen.”

Tot welke leeftijd kun je last krijgen van klachten als je ouders verslaafd waren of mentale problemen in je jeugd hadden?
“Op dit moment registreren we KOPP/KOV-kinderen tot het 35e levensjaar. Een moeizame jeugd kan psychische klachten geven, zoals angsten of een depressie. Het komt ook voor dat mensen op latere leeftijd erachter komen dat ze tot deze groep behoren en op zestigjarige leeftijd in een depressie belanden. Uit een onderzoek blijkt dat tachtig procent van de ggz-cliënten zelf ook een KOPP-kind is. Helaas is dat niet iets waar doorgaans bij de ggz-instelling naar gevraagd wordt.”

Dat is een aanzienlijk deel. Het Trimbos Instituut pleit dus voor meer openheid binnen gezinnen en betere samenwerking tussen organisaties. Wat zijn nog meer aandachtspunten?
“Wat wij proberen te doen via Trimbos Instituut – en dat kan ik niet vaak genoeg benadrukken – is dat je niet stigmatiserend over mensen met een aandoening zou moeten praten. Iemand is geen ‘Borderliner’, maar heeft Borderline. Als je respectvol over mensen praat, zullen ze zich sneller openstellen. En realiseer je ook dat ouders het beste voorhebben met hun kinderen. Opvoeden is niet gemakkelijk – en al helemaal niet als je een ziekte hebt.”

Meer onderbouwing over de cijfers, de risicofactoren en de ‘signalen’ van KOPP/KOV-vinden, vind je in het volgende factsheet van Trimbos Instituut: https://www.trimbos.nl/wp-content/uploads/sites/31/2021/09/af1666-factsheet-kopp-kvo.pdf 

Meer informatie over KOPP/KOV:

  1. Praatgroepen voor jongeren en volwassenen bij Jellinek: https://www.jellinek.nl/preventie/jeugd/aanbod-utrecht/kopp-kov/ 

Films over KOPP/KOV:

1. Puinhoop van documentairemaker Allard Detiger (2022)
2. NIKKI van documentairemaakster Monique Nolte (2022)

"Uit eerder onderzoek weten we dat kinderen die op latere leeftijd terugblikken op hun jeugd, een steunfiguur wensten waar zij hun verhaal kwijt konden."
Tessa van Doessum
Wetenschappelijk medewerker Trimbos Instituut
0
Nederland telt bijna 600.000 KOPP/KOV-kinderen
Een groot gedeelte ontwikkelt daarvan zelf psychische problemen op latere leeftijd:
65%